Mister Willems

Mister Willems

I have this drawer full of stuff I wrote over the years. Either published in the Dutch Runner's World or a few other titles, posted on one of my old websites, or just written and forgotten. If I find something that I find worth dropping on here, then that's what I'll do. Man, it is lovely being my own editor-in-chief. If you like them, you can find them all in the category ‘Doodles’.

This is the first column I wrote for the Dutch Runner’s World, I’ll translate these and leave the original Dutch below. I was running a half marathon and an EPIC BATTLE COMMENCED. Well, I mean, it was to me.

Fifteen kilometre down, 6,1 K to go. Again he was on my tail, the gentleman with whom I had been fighting for half a half a marathon. Not your usual fight with words and/or fists, but a runner’s fight: catching up with him is calling him a name, passing him is a punch to the gut. Bruised and battered we’d been battling for miles now.

The first time he passed me, I did the calf check. Show me a pair of calves, and I’ll tell you the years of running in them. On the calves of this gentleman, let me call him Mister Willems, there was only one message: I’ve been destroying races long before you were born, young grasshopper.’

The goal was simple: stay ahead. the only complication was that Mister Willems seemed to have made a similar decision. A cycling friend joined Mister Willems for a second and asked him how he’s doing. ‘Fight,’ he out-of-breathed. ‘With whom?’, his surprised friend asked. My ears perked up. ‘Ponytail,’ he said. I felt the cyclists’ eyes burn a hole in my back. I figured I’d wave. ‘Ponytail. A pleasure.’

Especially since this is my first column for Runner’s World, I would love to tell you how I epically ran off, never to be seen again. How in the last turn before the finish line, I passed our villain in slow motion, taking the victory. But in the last kilometers, he slowly but very surely ran away from me. His calves didn’t lie. The fight was over.

After the finish line, I found a sweaty Mister Willems waiting for me. I had a flash of concern, were we in an actual fight? His big smile swept my concern away. ‘How did your race go!’, was all he wanted to know.

I never became a runner to break records or win races. I run, to one day become Mister Willems. To, in 30, 40 or, hey why the hell not, 50 years from now be fit and fast enough to school a punk with a pony tail. To after the race be waiting for him with a smile and ask him how his race went.

I thanked him. I lost the battle, but I crushed my personal record. ‘Good,’ said Mister Willems, giving me a pat on the back. ‘See you next year.’

The original Dutch version, published in the February issue of 2015:

Meneer Willems

Vijftien kilometer gehad, 6,1 kilometer te gaan. Hij zat alweer even achter me, de  man op leeftijd met wie ik al een halve halve marathon ruzie maakte. Geen ruzie met woorden of vuisten, maar een hardloopruzie. Hem bijhalen is schelden, hem inhalen is meppen. Bont en blauw liepen we al kilometers kop over kop.

Toen hij mij voor het eerst voorbij kwam, deed ik de kuitencheck. Laat mij kuiten tijdens hardlopen zien, dan vertel ik je hoeveel ervaring zij of hij in de benen heeft. Op de kuiten van deze meneer, laat ik hem meneer Willems noemen, stond één ding getatoeëerd: ‘Ik sloopte al kilometers voordat jij kon kruipen, mannetje.’

Het doel was simpel: blijf hem voor. De enige complicatie was, meneer Willems had een soortgelijk besluit over mij gemaakt. Een bevriende fietser vroeg hem hoe het ging. ‘Ruzie’, zuchtte hij. De verbaasde fietser vroeg, met wie? Ik spitste mijn oren. ‘Paardenstaart,’ zei hij buiten adem. Ik voelde de ogen van de fietser in mijn rug branden. Ik zwaaide maar even. ‘Aangenaam, Paardenstaart.’

Vooral in een eerste column wil ik nu graag het verhaal vertellen over hoe hij me niet meer inhaalde. Hoe ik in slow motion schuin in de laatste bocht meneer Willems voor de eindstreep inhaalde. Maar in de laatste kilometers verdween hij uit mijn zicht. Zijn kuiten logen niet, de ruzie was beslecht.

 Op de finish stond een bezweette meneer Willems me op te wachten. Heel even maakte ik me zorgen, komt hij verhaal halen? Zijn grote glimlach nam mijn zorgen meteen weg. ‘Hoe ging het bij jou!’, is het eerste dat hij wilt weten.

Ik ben geen hardloper geworden om records te breken of wedstrijden te winnen. Ik loop hard om op een dag een meneer Willems te zijn. Om over dertig, veertig, ach waarom niet, vijftig jaar fit en snel genoeg te zijn om het een broekie met een paardenstaart moeilijk te maken. En hem vervolgens na de eindstreep glimlachend te vragen hoe het ging.

Ik bedankte hem. Ik verloor de generatiestrijd, maar liep wel een persoonlijk record. ‘Mooi,’ zei meneer Willems, terwijl hij me een klopje op de schouder gaf. ‘Volgend jaar weer’.

Numb

Numb